Subsidieregeling peuteropvang en voorschoolse educatie Ommen 2020

Originele publicatie downloaden:
Download het PDF bestand
Link naar originele publicatie:
Deze link gaat naar een andere site
Type bekendmaking:
Beleidsregels
Publicatiedatum:
12-08-2020



Subsidieregeling peuteropvang en voorschoolse educatie Ommen 2020

 

Artikel 1  

Burgemeester en wethouders van de gemeente Ommen;

Gelet op artikel 3 van de Algemene Subsidieverordening gemeente Ommen 2013;

Besluit:

Vast te stellen de

"Subsidieregeling peuteropvang en voorschoolse educatie gemeente Ommen 2020"

HOOFDSTUK 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze subsidieregeling wordt verstaan onder:

1. Kinderopvang

Aanbod kinderopvang vanuit een landelijk geregistreerd kinderdagverblijf in de zin van Wet kinderopvang;

2. Peuteropvang

Een ontwikkelingsgericht aanbod voor kinderen waarmee op basis van een gericht programma de ontwikkeling van het kind gestimuleerd wordt, in het bijzonder op de gebiedentaal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling;

3. Kinderdagopvang

Aanbod kinderopvang vanuit een landelijk geregistreerd kinderdagverblijf, peuterspeelzaal of gastouder in de zin van Wet kinderopvang gedurende maximaal 6 uur per dagdeel; opvang voor kinderen die nog niet naar de basisschool gaan;

4. Voorschoolse educatie (VE)

Een aanbod kinderopvang gericht op kinderen van 2,5 tot 4 jaar oud als bedoeld in artikel 166, eerste en tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs en dat voldoet aan de kwaliteitseisen van Wet kinderopvang, Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie en waarin gewerkt wordt met een erkend VVE-programma en gecertificeerde pedagogisch medewerkers (pmw’ers);

5. Peuterplaats peuteropvang

Een aanbod peuteropvang gedurende 1 of 2 dagdelen van 2,5 uur per dagdeel op twee verschillende dagen per week gedurende 40 weken per jaar;

6. Peuterplaats VE

Een aanbod voorschoolse educatie gericht op doelgroep peuters VE van tenminste 960 uur verdeeld over 1,5 jaar met een maximum van 48 weken per jaar en 6 uur per dag;

7. Doelgroep peuters VE

Peuters in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar, die in aanmerking komen voor een aanbod voorschoolse educatie op grond van door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde criteria;

8. VVE-programma

Een erkend voorschools programma waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling van kinderen wordt gestimuleerd van kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar op het gebied van rekenen, taal, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling, voor zover dit programma is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugd Instituut;

9. Gecertificeerde pmw’er

Een pedagogisch medewerker die voldoet aan het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie en die in bezit is van een VVE-certificaat of een bewijs van een afgeronde VVE-module van een erkend VVE-programma;

10. Voorziening

Het aanbod peuteropvang of voorschoolse educatie zoals een instelling dat op een specifieke locatie aanbiedt;

11. Kalenderjaar

Het jaar waar de subsidie betrekking op heeft;

12. Aanvrager

Een rechtspersoon die peuterplaatsen peuteropvang en/of voorschoolse educatie (VE) aanbiedt en die subsidie aanvraagt voor het kalenderjaar;

13. Forfaitaire bijdrage

Een bijdrage ter hoogte van een door het college van burgemeester en wethouders vooraf vastgesteld bedrag;

14. Uurprijs

De prijs die volgens de subsidieaanvraag aan ouders en in rekening wordt gebracht voor een uur peuteropvang en aan de gemeente voor voorschoolse educatie.

 

HOOFDSTUK II de subsidieverlening

Artikel 2 Subsidiabele activiteiten

1. Burgemeester en wethouders kunnen subsidie verstrekken aan een instelling voor een peuterplaats peuteropvang.

2. Burgemeester en wethouders kunnen subsidie verstrekken aan een instelling voor een peuterplaats voorschoolse educatie.

Artikel 3 Bijzondere bepalingen en verplichtingen

1. Elke voorziening waarvoor subsidie peuteropvang wordt aangevraagd is als kinderdagverblijf opgenomen in het Landelijk Register Kinderopvang in de zin van Wet kinderopvang

2. De aanvrager van een subsidie voor peuterplaatsen peuteropvang:

a. beschikt over een hbo geschoolde pedagogisch beleidsmedewerker (ingangsdatum wettelijke plicht: 1 januari 2022);

b. beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, bedoeld in artikel 3 van het Besluit kwaliteit kinderopvang, op zo concreet en toetsbaar mogelijke wijze:

i.de voor het kindercentrum kenmerkende visie op de voorschoolse educatie en de wijze waarop deze visie is te herkennen in het aanbod van activiteiten;

ii. de wijze waarop de ontwikkeling van het jonge kind wordt gestimuleerd, in het bijzonder op de gebieden taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling;

iii. de wijze waarop de ontwikkeling van peuters wordt gevolgd en vastgelegd en de wijze waarop het aanbod van voorschoolse educatie hierop wordt afgestemd;

iv. de wijze waarop de ouders worden betrokken bij het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen;

v. het inrichten van een passende ruimte waarin voorschoolse educatie wordt verzorgden het beschikbaar stellen van passend materiaal voor voorschoolse educatie, en

vi.de wijze waarop wordt vormgegeven aan de inhoudelijke aansluiting tussen voor- en vroegschoolse educatie en aan een zorgvuldige overgang van het kind van voor- naar vroegschoolse educatie;

vii. de wijze waarop wordt vormgegeven aan de inhoudelijke aansluiting met primair onderwijs, waarbij het overdrachtsformulier en een warme overdracht meegenomen worden.

c. de houder geeft uitvoering aan het pedagogisch beleidsplan wat de onderwerpen van het eerste lid betreft, evalueert de uitvoering jaarlijks, en stelt het plan zo nodig aan de hand hiervan bij.

d. voor de peuteropvang wordt een programma gebruikt waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling.

e. de aanwezigheid van een vaste begeleider voor doelgroep peuters VE die de ontwikkeling volgt en contacten met ouders en externen onderhoud.

f. het scholingsplan waarin is opgenomen aan welke activiteiten welke pmw’ers deelnemen.

g. structurele samenwerking met:

i. de jeugdverpleegkundige en de jeugdarts van de Jeugdgezondheidszorg over doelgroep peuters VE en zorgkinderen;

ii. lokale partners in het lokale overleg (eventueel via vertegenwoordiging).

3. De aanvrager van een subsidie voor voorschoolse educatie voldoet aan de kwaliteitseisen van:

a. de Wet kinderopvang;

b. het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie, vastgesteld op 7 juli 2010 en zoals nadien gewijzigd;

4. Een aanbod peuteropvang wordt uitgevoerd gedurende 1 of 2 dagdelen van 2,5 uur per dagdeel op twee verschillende dagen per week gedurende 40 weken per jaar.

5. Een aanbod voorschoolse educatie wordt uitgevoerd gericht op de doelgroep peuters VE van tenminste 960 uur verdeeld over 1,5 jaar met een maximum van48 weken per jaar en 6 uur per dag.

6. De aanvrager van een subsidie peuteropvang of voorschoolse educatie in de peuteropvang factureert en int de ouderbijdrage zoals vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders en is verantwoordelijk voor het daadwerkelijk ontvangen van deze bijdrage.

 

Artikel 4 Reikwijdte van de subsidieregeling

1. Burgemeester en wethouders kunnen subsidie verstrekken aan:

a. Instellingen die peuteropvang en/of voorschoolse educatie aanbieden in een voorziening gevestigd in de gemeente Ommen.

b. Instellingen gevestigd buiten de gemeente Ommen die het aanbod peuteropvang of voorschoolse educatie leveren in een voorziening buiten de gemeente Ommen, die aantoonbaar voor minimaal 35% van het aantal totale aantal peuters in geval van peuteropvang of doelgroep peuters in geval van voorschoolse educatie deze diensten levert aan peuters afkomstig uit de gemeente Ommen, kunnen voor het deel van het aanbod dat geleverd wordt aan peuters afkomstig uit de gemeente Ommen eveneens voor een subsidie in aanmerking komen.

c. Instellingen voor wie artikel 4 lid 1.b van toepassing is komen slechts voor subsidie in aanmerking wanneer zij op 1 januari voorafgaand aan het kalenderjaar, aantoonbaar subsidie ontvangen van de gemeente waar zij gevestigd zijn.

d. Een instelling gevestigd in de gemeente Ommen die het aanbod peuteropvang of voorschoolse educatie levert in een voorziening in de gemeente Ommen ontvangt slechts subsidie voor de peuters woonachtig in de gemeente.

Artikel 5 Grondslag voor de subsidieberekening

1. De grondslag voor de subsidie is het aantal te realiseren bezette peuterplaatsen peuteropvang en/of peuterplaatsen voorschoolse educatie (VE).

2. Voor een peuterplaats peuteropvang geldt een subsidiabel aantal uren van 100 bij 1 dagdeel per week en 200 bij 2 dagdelen per week op jaarbasis, voor zover de ouders aantoonbaar geen recht hebben op een toelage op grond van afdeling 2 paragraaf 1 en 2 van de Wet kinderopvang (kinderopvangtoeslag).

3. Voor een peuterplaats voorschoolse educatie in de peuteropvang geldt een totaal subsidiabel aantal uren van 640 op jaarbasis (inclusief de 200 uur basisaanbod peuteropvang op grond van lid 2).

4. Voor een peuterplaats voorschoolse educatie in de peuteropvang en in de kinderdagopvang wordt een jaarlijks vast te stellen forfaitaire bijdrage voor de extra bijkomende werkzaamheden voor elke geplaatste doelgroep peuter VE verleend.

5. Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks de maximale uurprijs vast waarover subsidie wordt verleend en een forfaitaire bijdrage voor de extra bijkomende werkzaamheden per geplaatste doelgroep peuter VE.

6. De subsidie per uur is nooit hoger dan de door de instellingen bij de aanvraag opgegeven (en voor overige klanten gehanteerde) uurprijs.

7. Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks voorafgaande aan het kalenderjaar de inkomensafhankelijke procentuele ouderbijdrage vast voor gebruik van peuterplaatsen peuteropvang. Deze is gebaseerd op de voor het kalenderjaar geldende landelijke tabel van de kinderopvangtoeslag.

8. Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks voorafgaand aan het kalenderjaar de ouderbijdrage vast voor de ouders van doelgroep peuters VE met voorschoolse educatie in de peuteropvang.

9. Op de te verlenen subsidie per peuterplaats peuteropvang en voorschoolse educatie wordt een bedrag voor ouderbijdragen in mindering gebracht.

10. Aanbieders van peuteropvang en voorschoolse educatie ontvangen de ouderbijdragen vastgesteld op grond van lid 7 en 8 van dit artikel. Zij zijn verantwoordelijk voor het innen van deze betalingen conform de vastgestelde ouderbijdragentabel en het bijbehorende risico van dubieuze debiteuren.

11. De te verlenen subsidie per peuterplaats peuteropvang wordt bepaald op de hoogte van het door de instelling bij aanvraag opgegeven uurtarief tot een maximum van het onder lid 5 door het college vastgestelde uurtarief vermenigvuldigd met het aantal uren per peuterplaats zoals bepaald in lid 2 van dit artikel vermindert met de ouderbijdrage conform lid 7 van dit artikel.

12. De te verlenen subsidie per peuterplaats VE in de peuteropvang wordt bepaald op de hoogte van het door de instelling bij aanvraag opgegeven uurtarief tot een maximum van het onder lid 5 door het college vastgestelde uurtarief vermenigvuldigd met het aantal uren per peuterplaats zoals bepaald in lid 3 van dit artikel verhoogt met de in lid 4 van dit artikel genoemde forfaitaire bijdrage voor extra bijkomende werkzaamheden voorschoolse educatie, vermindert met de ouderbijdrage conform lid 8 van dit artikel

13. De te verlenen subsidie per peuterplaats VE in de kinderdagopvang wordt bepaald op de hoogte van het in lid 4 van dit artikel genoemde forfaitaire bijdrage voor extra bijkomende werkzaamheden voorschoolse educatie.

Artikel 6 De subsidieaanvraag

1. Instellingen die voor een subsidie peuteropvang en/of voorschoolse educatie in het kalenderjaar in aanmerking wensen te komen voor een subsidie op grond van artikel 5 lid 12 (subsidie peuterplaats peuteropvang) en lid 13 (subsidie peuterplaats VE in de peuteropvang) kunnen jaarlijks voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar een subsidieaanvraag indienen.

2. In afwijking van art. 5 lid 1 van de Algemene Subsidieverordening gemeente Ommen 2013 moet de aanvraag als bedoeld in lid 1 van dit artikel zijn voorzien van:

a. een gespecificeerde opgave per voorziening (locatie) van:

i. registratienummer landelijk register, locatienaam, adres en contactgegevens;

ii. het aantal kinderen voor wie in het kalenderjaar peuterplaatsen peuteropvang wordt aangeboden (conform artikel 5 lid 12), waarvan de ouders geen recht hebben op kinderopvangtoeslag als bedoeld in artikel 5 lid 2;

iii. het aantal doelgroep peuters VE voor wie in het kalenderjaar peuterplaatsen voorschoolse educatie in de peuteropvang wordt aangeboden (conform artikel 5 lid 13);

b. een opgave van het voor het kalenderjaar geldende uurtarief;

c. een opgave van de (verwachte) eigen bijdrage per peuterplaats peuteropvang en voorschoolse educatie met in achtneming van de door het college van burgemeester en wethouders voor het kalenderjaar op grond van artikel 5 lid 7 en 8 vastgestelde maxima;

d. een beschrijving van het VVE-programma zoals bedoeld in lid 8 van artikel 1;

e. een verklaring dat wordt voldaan aan de bepalingen en verplichtingen van deze subsidieregeling.

3. Burgemeester en wethouders nemen voor 1 januari van het kalenderjaar een besluit over de subsidieverlening.

4. Instellingen die voor een voorschoolse educatie in het kalenderjaar in aanmerking wensen te komen voor een subsidie op grond van artikel 5 lid 13 (subsidie peuterplaats VE in de kinderdagopvang) kunnen in afwijking van artikel 6 van de Algemene Subsidieverordening gemeente Ommen 2013 lopende het kalenderjaar een subsidieaanvraag indienen.

5. In afwijking van artikel 5van de Algemene Subsidieverordening gemeente Ommen 2013 moet de aanvraag als bedoeld in lid 4 van dit artikel zijn voorzien van:

a. een gespecificeerde opgave per voorziening (locatie) van:

i. registratienummer landelijk register, locatienaam, adres en contactgegevens;

ii. het aantal doelgroep peuters VE voor wie in het kalenderjaar peuterplaatsen voorschoolse educatie in de kinderdagopvang wordt aangeboden (conform artikel 5 lid 14) met kopieën van bewijsstukken waaruit blijkt dat er voor de betreffende kinderen aanspraak is op voorschoolse educatie (indicatie van een jeugdarts van de Jeugdgezondheidszorg);

6. Burgemeester en wethouders kunnen voor het indienen van aanvragen peuteropvang en/of voorschoolse educatie model aanvraagformulieren vaststellen.

Artikel 7 Het subsidieplafond

1. Burgemeester en wethouders bepalen jaarlijks met inachtneming van de in de (concept)gemeentebegroting vastgestelde budgetten voor 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar welk bedrag als subsidieplafond beschikbaar is voor peuteropvang en welk bedrag voor voorschoolse educatie in de peuteropvang en de kinderdagopvang.

2. Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks voor 1 september per kalenderjaar de hoogte vast van de te verlenen subsidie voor een peuterplaats peuteropvang op grond van artikel 5 lid 2 en een peuterplaats voorschoolse educatie op grond van artikel 5 lid 3 en 4.

3. Burgemeester en wethouders verdelen het op grond van lid 1 van dit artikel vastgestelde bedrag de subsidie voor peuteropvang en voorschoolse educatie als volgt:

a. voor peuteropvang:

i. per instelling wordt conform de berekening van artikel 5 de kosten van het aangevraagde aantal peuterplaatsen peuteropvang per voorziening berekend;

ii. wanneer het totaal van alle subsidiabele aanvragen van alle voorzieningen het op grond van lid 1 vastgestelde bedrag voor peuteropvang voor het kalenderjaar niet overgeschreden wordt op grond hiervan het aantal subsidiabele peuterplaatsen peuteropvang voor het kalenderjaar per voorziening vastgesteld;

iii. indien het totaal van de aangevraagde subsidie het op grond van lid 1 vastgestelde bedrag overschrijdt vindt een herverdeling van de te verlenen subsidie peuteropvang per aanvrager plaats, bij deze herverdeling wordt het bedrag verdeeld op basis van de per 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar bezette peuterplaatsen peuteropvang van peuters van ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag;

iv. wanneer er daarna nog een bedrag resteert ten opzichte van het op grond van lid 1 vastgestelde bedrag, wordt dit restant verdeeld naar rato van het aantal per 1 september voorafgaande aan het kalenderjaar per houder in het landelijk register kinderopvang geregistreerde opvangplaatsen kinderdagopvang in de gemeente Ommen.

b. voor voorschoolse educatie;

i. per instelling wordt conform de berekening van artikel 5 de kosten van het aangevraagde aantal peuterplaatsen peuteropvang voorschoolse educatie per voorziening berekend;

ii. wanneer het totaal van alle subsidiabele aanvragen van alle voorzieningen het totale op grond van lid 1 vastgestelde bedrag voor voorschoolse educatie voor het kalenderjaar niet overgeschreden wordt op grond hiervan het aantal subsidiabele peuterplaatsen voorschoolse educatie voor doelgroep peuters en voorschoolse educatie voor het kalenderjaar per voorziening vastgesteld;

iii. indien het totaal van de aangevraagde subsidie het op grond van lid 1 vastgestelde bedrag overschrijdt vindt een herverdeling van de te verlenen subsidie voorschoolse educatie per aanvrager plaats, bij deze herverdeling wordt het bedrag verdeeld op basis van de per 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar bezette peuterplaatsen voorschoolse educatie

iv. wanneer er daarna nog een bedrag resteert ten opzichte van het op grond van lid 1 vastgestelde bedrag, wordt dit restant verdeeld naar rato van het aantal per 1 september voorafgaande aan het kalenderjaar per houder in het landelijk register kinderopvang geregistreerde opvangplaatsen kinderdagopvang in de gemeente Ommen.

Artikel 8 De subsidieverlening

1. Een subsidie wordt aan een instelling verleend op basis van het maximaal aantal peuterplaatsen waarvoor op grond van artikel 5 lid 11 t/m 13 subsidie wordt verleend.

2. Bij de subsidieverlening wordt bepaald of en op welke wijze een voorschot kan worden vertrekt op de verleende subsidie waarbij het aantal termijnen, de termijnbedragen en de data waarop deze worden uitbetaald worden vermeld.

Artikel 9 Rapportageverplichtingen

1. De subsidieaanvrager registreert en legt verantwoording af waarbij wordt overlegd:

a. een overzicht van alle peuters die in het kalenderjaar hebben deelgenomen aan een door de gemeente gesubsidieerd aanbod peuteropvang of voorschoolse educatie met opgave van de periode die zij gedurende het kalenderjaar hebben deelgenomen en indien van toepassing of zij tot de doelgroep behoren waarbij:

i. voor peuteropvang per gesubsidieerde peuterplaats kopieën van bewijsstukken waaruit blijkt dat rechtmatig aanspraak wordt gemaakt op peuteropvang (ouderverklaring geen recht op toeslag + inkomensverklaring van de belastingdienst + eventuele aanvullende bewijsstukken);

ii. voor voorschoolse educatie per gesubsidieerde peuterplaats kopieën van bewijsstukken waaruit blijkt dat rechtmatig gebruik gemaakt wordt van voorschoolse educatie (indicatie van de Jeugdgezondheidszorg);

iii. een opgave per gesubsidieerde peuterplaats van de werkelijk gefactureerde ouderbijdragen in het kalenderjaar.

b. het totaal aantal daadwerkelijk bezette:

i. peuterplaatsen peuteropvang gedurende het kalenderjaar afgeleid van de gegevens onder lid a, waarbij voor de berekening van een peuterplaats die gedurende een deel van het kalenderjaar is bezet het aantal maanden naar beneden wordt afgerond indien de peuterplaats na de 15e van de maand is bezet en/of voor de 16e van de maand is beëindigd en naar boven wordt afgerond indien de peuterplaats voor de 16e van de maand is bezet en/of na de 15e van de maand is beëindigd, waarbij vervolgens voor de bepaling van de gerealiseerde peuterplaats de volgende formule wordt gehanteerd: A (= het aantal maanden dat de peuterplaats is bezet) : 12 = B (= het de omvang van een peuterplaats die een gedeelte van het kalenderjaar is bezet afgerond op 2 decimalen achter de komma) 1;

ii. peuterplaatsen voorschoolse educatie, waarbij voor de berekening uitgaat van het totale wettelijke aanbod van 960 uur over anderhalf jaar;

c. de in het kalenderjaar gefactureerde ouderbijdragen voor peuterplaatsen peuteropvang en voorschoolse educatie per peuterplaats afgeleid van lid a;

d. de uitvoering van de ontwikkelingsgerichte programma’s en VVE-programma’s zoals bedoeld in artikel 1 lid 8;

e. de wijze de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verplichtingen in lid 1 tot en met 7 van artikel 3.

2. Het college van burgemeester en wethouders kan formulieren vaststellen voor het indienen van de verantwoordingsgegevens.

3. Burgemeester en Wethouders kunnen nadere gegevens opvragen om de rechtmatigheid van de besteding van de subsidie conform de opgelegde verplichtingen te controleren.

4. Wanneer een controleverklaring van een onafhankelijke accountant vereist is bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie kan dat als verplichting bij de subsidieverlening worden opgenomen.

HOOFDSTUK III de subsidievaststelling

Artikel 10 De subsidievaststelling

1. Een verzoek tot vaststelling van de subsidie voorschoolse educatie in de peuteropvang of kinderdagopvang moet worden ingediend voor 1 februari volgend op het kalenderjaar.

2. Een verzoek tot vaststelling van de subsidie voor peuteropvang moet worden ingediend voor 1 juni volgend op het kalenderjaar.

3. Burgemeester en wethouders stellen op basis van de ingediende verzoek de subsidie vast op basis van het gedurende het kalenderjaar daadwerkelijk bezette aantal peuterplaatsen peuteropvang en/of voorschoolse educatie dan wel het aantal extra gerealiseerde dagdelen zoals bedoeld in art 4 lid 11 tot en met 13 van deze subsidieregeling.

4. Voor de subsidiabele uren geldt het aantal conform artikel 5 lid 2 en 3.

5. Indien een peuterplaats slechts gedurende een deel van het kalenderjaar is bezet wordt de vast te stellen subsidie verminderd naar rato van het aantal maanden dat de peuterplaats niet bezet is, waarbij voor de berekening van de periode het aantal maanden naar beneden wordt afgerond indien de peuterplaats na de 15e van de maand is bezet en/of voor de 15e van de maand is beëindigd en naar boven wordt afgerond indien de peuterplaats voor de 15e van de maand is bezet en/of voor na de 15e van de maand is beëindigd.

6. De vast te stellen subsidie per peuterplaats wordt vastgesteld onder aftrek van de werkelijk gefactureerde ouderbijdragen over het kalenderjaar conform de door burgemeester en wethouders vastgestelde ouderbijdragen zoals bedoeld in art. 5 lid 7.

HOOFDSTUK IV slot- en overgangsbepalingen

Artikel 11 Algemene subsidieverordening gemeente Ommen 2013

Voor zover in deze subsidieregeling niet anders is geregeld, gelden de bepalingen van de Algemene subsidieverordening gemeente Ommen 2013.

Artikel 12 Hardheidsclausule

1. Burgemeester en wethouders kunnen deze subsidieregeling, met uitzondering van artikel 2 in individuele gevallen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover de toepassing van die bepalingen voor de subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de betrokken bepalingen te dienen doelen.

2. Toepassing van het vorige lid wordt gemotiveerd in het besluit.

Artikel 13 Inwerkingtreding

Deze subsidieregeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2020. De “subsidieregeling peuteropvang en voorschoolse educatie gemeente Ommen”, zoals vastgesteld door het college op 20 september 2016, worden ingetrokken.

Artikel 15 Overgangsbepaling

Subsidies verleend op grond van de beleidsregels subsidieverlening gemeente Ommen 2013 voor de onderdelen “9. Peuterspeelzaalwerk” en “10. Voor- en vroegschoolse educatie” worden op grond van deze beleidsregels afgehandeld.

Artikel 16 Citeerartikel

Deze subsidieregeling kan worden aangehaald als “subsidieregeling peuteropvang en voorschoolse educatie gemeente Ommen 2020”.

Ommen, 2020

Burgemeester en wethouders van de gemeente Ommen,

Secretaris,

Burgemeester,