28 augustus 1819

Overijsselsche Courant, 30 augustus 1819:
Zaturdag den 28sten dezer, des morgens omstreeks 8 ure, ontstond hier brand in de schuur van Gerrit Mensink, aan deszelfs huis verbonden, staande voor de brug, schoutambt Ommen, die door de sterke droogte in een oogenblik in lichte laaije vlam stond, welke zich boven de belende woningen verhief, dat een ieder, voor verdere gevolgen, wegens de daar allerhaast aangelegene woningen, deed schrikken; doch, door de vaardige hulp der ingezetenen van de stad en voorbrug van Ommen, welke dadelijk met een brandspuit toesnelden, werd men den brand in minder dan een half uur geheel meester, zoodat dezelve zich, tot een ieders verwondering, alleen tot deze schuur bepaalde.

Van dezen schrik nauwelijks hersteld, werden wij ten negen ure des avonds van dien dag, wederom op het onverwachts ontrust, door het ontstaan van brand in de woning van den heer M. Konink (huis Moesbergen), mede voor de brug, schoutambt Ommen gelegen, en waarin zich tevens bevond het kantoor van den ontvanger der in- en uitgaande regten, welke brand in een oogenblik het geheele huis in volle vlam zettede, door dat de zolders, voor het grootste gedeelte met brandbare stoffen, van hooi, stroo en turf waren gevuld; de lucht door het vliegen der vonken en groote stukken vuur van brandend stroo en spek over de Voorbrug en Ommen, scheen als één vuur; en door de menigvuldige nedervallende vonken op de nabij gelegen huizen, ontstond al spoedig en gedurig op onderscheidene plaatsen op nieuw brand; doch, welke dadelijk werd gestuit; waarom men zich met de blussching van het brandend huis, als reeds te ver gekomen, niet konde ophouden, maar veeleer den verderen voortgang trachtte te stuiten; doch door den vaardigen en onverschrokken moed van eenige personen, zijn in den beginne van den brand, nog eenige der mobilaire goederen en de beesten, alsmede alles, het kantoor betreffende, gered; terwijl een paard, de bouwmans gereedschappen, het zaadgewas en zeer vele goederen van waarde een prooi der vlam zijn geworden. Doordien de wind stil was, kunnen wij der Goddelijke Voorzienigheid niet genoeg danken, ons voor grooter gevolgen te hebben behoed; en tevens kunnen wij niet genoeg roemen den ijver en vigilantie der ingezetenen van de stad Ommen en Voorbrug in dezen betoond.